De band met de Kerk
Traditioneel bestaat een hechte band tussen de schutterijen en de Katholieke kerk. Veelal wordt ervan uitgegaan dat de schutterijen op het platteland in de 16e en 17e eeuw mede zijn opgericht om processies te beschermen tegen aanvallen van de Protestanten. Feit is dat in de meeste reglementen van de schutterijen uit die tijd inderdaad wordt verwezen naar de 'broderschappe (...) die "met gewapender handt" (...) het "H. sacrament des altaers tott vergitenisse van heun bloett gereidt sijn souden in alle tijden te defenderen" (reglement van schutterij St.- Sebastianus Klimmen, 1640).
Opmerkelijk is echter dat zowel uit de bronnen alsook uit de literatuur blijkt dat het 16e en 17e eeuwse Maasland weliswaar bij herhaling zwaar te lijden had onder twisten en oorlogen, maar dat geen melding wordt gemaakt van het feit dat de processies daadwerkelijk zijn verstoord. Een tegenstrijdigheid die verdwijnt wanneer we de band tussen kerk en schutterij niet vanuit de Reformatie, maar vanuit de Contra-Reformatie en 're-katholisatie' verklaren.
De 16e eeuw is het tijdperk van Luther, Calvijn en Thomas More, kortom van reformeerders die protest aantekenden tegen onder andere machtsmisbruik, exorbitante rijkdom, onvoldoende opgeleide priesters, het celibaat en het Latijn als officiële voertaal. Daarop gingen de Roomse kerkvaders in conclaaf, hetgeen in 1661 uitmondde in een 'tegenaanval' of Contra-Reformatie. Er werd hard aan getrokken om de vertrouwensbreuk tussen kerk en volk te lijmen en de boeren en buitenlui terug in de schoot van de 'moederkerk' te leiden, ofwel te 're-katholiseren'.